SCP onderzoekt werk en kinderopvang

spaarvarken

Door bezuinigingen is de kinderopvangtoeslag verlaagd en de  opvang voor ouders daardoor de laatste jaren duurder geworden. Het  leidde tot een storm van protesten. Belangenbehartigers, zoals Voor Werkende Ouders, voorspelden dat veel ouders de opvang zouden stopzetten en met name moeders  weer vaker thuis zelf voor de kinderen zouden gaan zorgen. 
  
In dit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau is nagegaan in hoeverre deze voorspellingen zijn uitgekomen. Maken ouders nu minder gebruik van kinderopvang? Zo ja: komt dat door de kosten? En is de arbeidsdeelname van moeders daarom afgenomen?

Wij hebben het onderzoek is uitgeplozen. Onze samenvatting;

Daling gebruik van de kinderopvang

De meest genoemde reden waarom ouders minder opvang hebben dan gewenst of voorheen zijn de kosten. Vier op de tien ouders die minder kinderopvang hebben dan ze hadden gewild, of dan ze vroeger hadden, wijzen de kosten van de opvang aan als de doorslaggevende reden daarvoor, en bij de meeste anderen speelde deze reden op de achtergrond mee bij hun besluit. Op een goede tweede plaats komt werkloosheid van de vader of moeder (bij zo’n twee tot drie op de tien doorslaggevend). Andere redenen die door meer dan 10% van de ouders als doorslaggevend worden genoemd, zijn: de ouders willen graag meer zelf voor het kind zorgen (krimp opvanguren dagopvang); door flexi- bel werken is minder of geen opvang meer nodig (krimp en stopzetten bso); het kind vindt het niet leuk meer op de opvang of het is oud genoeg om alleen of met een ouder broertje of zusje thuis te zijn (stopzetten bso). 

Oplossingen van ouders

Ruim de helft van de ouders die minder formele opvang hebben dan ze hadden gewild, of dan ze voorheen hadden, heeft dit ‘gat’ in hun opvangarrangement onder andere opgevuld door het (nog vaker) inschakelen van grootouders, familieleden, vrienden of kennissen.  Soms zoeken de ouders zelf een oppas, regelen zij iets met andere ouders of biedt de peuterspeelzaal uitkomst. Grotere kinderen kunnen na schooltijd een paar uur alleen thuis zijn.Daarnaast zijn de ouders, vooral de moeder, vaker zelf thuis om voor het kind te zorgen. Een deel van deze extra zorgdagen is gerealiseerd door te schuiven met werktijden. Door de werktijden beter aan te passen aan de schooltijden, of door ’s avonds of in het weekend te werken, hebben vooral moeders overdag tijd vrijgemaakt om voor hun kind te zorgen. In ongeveer een kwart van de gezinnen die minder opvang hebben dan ze had- den gewild, of dan ze in 2011 hadden, bood dit flexibel werken uitkomst. De meest genoemde ‘oplossing’ voor het gat in het zorgarrangement tot slot is dat een van de ouders minder of niet meer werkt. Bijna driekwart van de ingeleverde uren op- vang is hiermee opgevangen. De arbeidsduur van moeders blijkt iets sterker afgenomen dan die van de vaders. 

Minder opvang betekent overigens lang niet altijd dat ouders ook minder werken. In gezinnen die eind 2011 gebruik maakten van kinderopvang en sindsdien de opvang hebben ingekrompen of stopgezet, werkt driekwart van de vaders nog evenveel. Bij de moeders is dit iets lager, maar ook van hen werkt ruim de helft (dagopvang) tot twee derde (bso) ondanks minder of geen opvang nog steeds evenveel uren. 

Combinatie werk-gezin

Ongeveer de helft van de moeders die in 2011 hun eerste kind kregen, of van wie het eerste kind toen 4 jaar werd, vindt de combinatie werk-gezin best zwaar. Bij de ouders die in 2011 gebruik maakten van dagopvang of buitenschoolse opvang is dit aandeel nog wat groter, namelijk ruim 60%.  Ze geven aan dat de zorg voor de kinderen vaker botst met de tijd die ze hadden willen hebben voor sociale contacten, zichzelf en hun partner. 

terug